Al na een kilometer (in het donker, voortdurend zo’n 3o graden omhoog) dacht ik dat de Mozesberg had besloten me te vermoorden. Ik was al helemaal buiten adem, vreesde te moeten overgeven en voelde mijn hart in mijn keel kloppen. Ahmed, de gids van die dag, had me nauwelijks gerustgesteld elke keer als ik mijn twijfel uitte of ik het wel ging halen. En ook terwijl ik op een rots uit zat te hijgen, sprak hij me niet echt moed in.
Dus als ik voor de derde keer struikel en even stil moet staan, staat het huilen me heel veel nader dan het lachen. Inmiddels zijn we halverwege, bijna vier kilometer ver, en behalve mijn drie keer twee minuten om stil te staan hebben we twintig minuten in een bedoeïnenhuisje gezeten. ‘Fuck die berg,’ denk ik. ‘Bekijk het maar, ik doe het niet. Ik verzin het verhaal wel, niemand die weet of ik er bij was.’
Maar mijn journalistieke geweten is veel te sterk en Ahmed geeft me eindelijk dat extra zetje dat ik nodig heb. ‘Kom op Margreeth,’ zegt hij, ‘zie je die lichtjes daar boven? Dat is het eind. Dan ben je er.’ En dat is net wat ik nodig had, want tot dusver was er geen eindpunt om naar uit te kijken en de twee gidsen gaven geen antwoord als ik vroeg hoe ver we waren. Ik ben alle besef van tijd en afstand verloren, dus dat we op dat moment al halverwege zijn, wist ik pas achteraf.
De laatste kilometers gaan met het verstand op nul en de blik op oneindig. Tientallen Russen komen me voorbij en ik zie gefrustreerd toe hoe dames en heren die decennia ouder zijn dan ik, weliswaar hijgend, nog altijd doorlopen.
Maar eindelijk, na zeven kilometer en 2,5 uur klimmen ben ik er dan. Of althans, bijna.
Want het bedoeïnenhutje van mijn nieuwste verloofde Calim, is het eindpunt van de weg. Daarna begint de trap, 750 treden omhoog. Als ik aankom heb ik nog altijd het voornemen die trap op te gaan, maar ik kreeg hoe langer hoe minder zin. Calim is van een heel ander slag dan Ahmed en probeert me op mijn gemak te stellen. ‘Joh, als je niet wilt, dan hoef je die trap niet op hoor.’ Ik leg hem uit dat ik hier als journalist ben en dat ik helemaal naar boven moet om een goed verhaal te hebben. ‘Maar meisje, het is gevaarlijk voor je. Het is daar koud en als je zo moe bent, val je veel te makkelijk naar beneden. En er zijn daar zoveel mensen, dat het helemaal niet meer mooi is.’
Ik protesteer nog steeds, weliswaar met tegenzin. ‘Calim, het moet. Ik moet die zonsopgang zien.’ Calim begint te lachen. ‘Joh, die zonsopgang kun je vanaf hier ook zien hoor. Het is dezelfde zon en hier kun je wel genieten van de stilte. Boven staan al die Russen tegen elkaar te praten. Hier, pak een deken en probeer wat te slapen, de zon komt pas over drie uur op.’
En dan geef ik toe. Achterin zijn koffietentje plof ik neer en dommel ik weg. Slapen is er niet echt bij, het is behoorlijk koud hier en Calim ontvangt alle passanten met luid geklets. Maar als hij me om kwart voor zes wenkt dat het tijd is naar buiten te gaan, ben ik er wel weer helemaal klaar voor. De deken gaat mee en Calim leidt me naar zijn favoriete plekje om de zonsopgang te zien. Hij woont al veertien jaar boven op de berg en nog altijd, zo zegt hij, geniet hij van de zonsopgang.
De hemel verkleurd langzaam, van lichtblauw met een rood randje, naar oranje en zelfs wat groen. Calim en ik praten wat, over de zin van het leven uiteraard. Ik zeg hem hoe graag ik zou willen dat ik dit met mijn vriend kon delen. ‘En wat zou je dan doen?’ vraagt Calim. Jaja, Calim, ik weet wel wat je wilt horen. ‘Alleen maar samen kijken Calim, voor de rest is het veel te koud.’
En dan komt wat ik al vreesde. ‘Ik kan anders hier ook wel je vriendje zijn?’ Even word ik bang. We staan hier wel aan de rand van een afgrond met niemand in het zicht. Twee stappen naar voren en ik lazer honderden meters naar beneden, niemand die ziet of ik val of geduwd wordt. De man naast me woont al veertien jaar in zijn eentje op een berg. Ik probeer het dus maar luchtig te houden. ‘Geen goed idee, Calim. Ik wil de zonsopgang zien.’
Calim glimlacht. ‘Oké. Is goed. Je moet ‘m in je eentje zien, dat is nog beter. Ik ga terug naar het koffiehuisje. Doe voorzichtig als je terugkomt, oké?’
En daar gaat Calim en kan ik in alle rust genieten van een van de spectaculairste schouwspelen die ik ooit heb gezien. Het is intussen al helemaal licht geworden en ik vraag me dringend af of dit het nou is. Er hangt een nevel boven de horizon en ik vrees dat het hele gebeuren in het water valt.
Maar dan opeens komt er een klein rood randje boven die nevel uit. In rap tempo wordt het randje een rode bol. Om mij heen krijgt alles kleur, ik hoor zelfs een vogel fluiten. Pas nu is te zien hoe groot de vallei is, hoe indrukwekkend de hoogte. Koud is het opeens niet meer en ik voel niet meer hoe moe ik ben. De top heb ik dan wel niet bereikt, maar vanaf hier is te zien hoe zeer er daarboven gedrongen wordt om een plekje.
En ik voel me even helemaal alleen op de wereld, alsof de zon dit vandaag alleen voor mij doet.
Gearchiveerd onder: Persreizen

